Ganzenbeheer

Veel gestelde vragen 
Veel gestelde vragen

 

1. Hoeveel ganzen zijn er in Zuid-Holland?
Standganzen zijn ganzen die in Nederland broeden en hier ook het gehele jaar verblijven. De populaties van alle soorten standganzen in Zuid-Holland zijn de laatste decennia sterk toegenomen. Van enkele ganzen eind jaren zeventig van de vorige eeuw tot ca. 160.000 in 2014. De provincie geeft sinds 2007 opdracht de standganzen te tellen in de gehele provincie. Er zijn op het ogenblik 7 soorten standganzen algemeen aanwezig in Zuid-Holland. In 2014 zijn 97.576 grauwe ganzen, 24.189 brandganzen, 21.702 Canadese gans, 13.351 nijlganzen, 2.773 soepganzen, 1.052 kolganzen en 73 Indische ganzen geteld. Van deze soorten broedt alleen de grauwe gans van oudsher in Nederland.

Wintergasten of trekganzen zijn ganzen die uit Noord-Europa en Siberië naar Nederland komen om te overwinteren. Met name kolganzen en brandganzen overwinteren in groten getale in Zuid-Holland. Rond januari bevinden zich de meeste wintergasten in Zuid-Holland. Er zijn dan ongeveer 300.000 ganzen in Zuid-Holland (standganzen en wintergasten) aanwezig.

2. Hoe groot is de schade die ganzen veroorzaken?
Door de groei van de ganzenpopulatie neemt ook de schade die ganzen aanrichten aan landbouwgewassen toe. Jaarlijks wordt een toenemend bedrag aan schadevergoedingen uitgekeerd voor opgevreten landbouwgewassen. In 2014 was dit bedrag circa 1 miljoen euro. De schade is over het algemeen ontstaan ondanks pogingen de schade te voorkomen. Daarnaast richten ganzen schade aan flora en fauna aan, vervuilen ze recreatieterreinen en vormen ze een risico voor het luchtverkeer.

3. Wat is de Faunabeheereenheid (FBE), en wat is de rol van Provincie en FBE?
De Faunabeheereenheid is een zelfstandige organisatie. Het is een samenwerkingsverband van natuur-, landbouw-, jagers- en maatschappelijke organisaties dat uitvoering geeft aan het beheer van diersoorten en het bestrijden van schade. 

Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd. Provincies zijn verantwoordelijk voor het opstellen van het beleid. Op basis van de beleidsnota van de provincie stelt de FBE een beheerplan op. De provincie verleent de vergunningen die nodig zijn om het beheer uit te voeren. Ook houdt de provincie toezicht op het gebruik van de vergunningen en kan zij indien nodig handhaven.

4. Wat houdt het Zuid-Hollandse ‘ganzenakkoord’ in?
Het Zuid-Hollandse ganzenakkoord heeft als doel een evenwicht te vinden tussen de aanwezige aantallen ganzen in de provincie en de schade die zij aan natuur, recreatiegebieden en landbouwgewassen toebrengen.

Afgesproken is om de schade terug te brengen naar een acceptabel niveau door de populatie standganzen - ganzen die het gehele jaar in Zuid-Holland verblijven - de komende vijf jaar terug te brengen. De Zuid-Hollandse natuurgebieden kunnen bij kleinere populaties een belangrijk deel van de ganzen herbergen. Ter bescherming van de wintergasten (trekganzen) wordt een winterrustperiode ingesteld. 

Winterrust is essentieel voor de instandhouding van de trekganzenpopulatie. Trekganzen mogen tijdens de winterrustperiode op alle percelen met gras, oogstresten en groenbemesters en in de natuurgebieden rusten en eten.

Voorwaarde voor het slagen van het ganzenbeleid is een slagvaardig vergunningenbeleid ten behoeve van het terugbrengen van de standganzenpopulaties en het toepassen van effectieve maatregelen in vele gebieden. Het beleid bestaat uit diverse maatregelen voor de bestrijding van ganzen: van verjagen - waaronder preventieve maatregelen - en eieren schudden tot aan doden met het geweer. Per gebied wordt bepaald welke methode het meest effectief is. De provincie en de Faunabeheereenheid hebben afgesproken om zich tot het uiterste in te spannen om de benodigde maatregelen te nemen.

5. Wat is de oorzaak van de snelle toename van de ganzenpopulatie?
Ganzen hebben een groot aanpassingsvermogen. De populatietoename hangt samen met een aantal zaken, zoals de sterk verbeterde voedselkwaliteit door bemesting. Daarnaast is de inrichting van het landschap de afgelopen jaren veranderd, met meer ruimte voor natuur en recreatie. Vooral natte natuurgebieden met veel grasland in de buurt zijn voor de ganzen aantrekkelijk. Daar komt bij dat eind jaren negentig de jacht op de ganzen is afgeschaft.

6. Wat zijn de gevolgen van de sterke groei van het aantal ganzen?
De schade aan landbouwgewassen neemt jaarlijks toe. Ook kunnen ganzen andere vogels verdringen, bij voorbeeld weidevogels en kunnen ze schade aanrichten aan flora, bijvoorbeeld orchideeën. Ook kunnen ganzen schade aanrichten aan andere natuurwaarden zoals rietkragen. Hierdoor kunnen rietvogels, bijvoorbeeld de rietzanger, in de verdrukking komen. Daarnaast vervuilen ganzen recreatieterreinen en (zwem)water en vormen ze een risico voor het luchtverkeer.

7. Waarom moeten de ganzen worden gedood, zijn er geen alternatieven zoals wegjagen?
Bij het toestaan van maatregelen wordt gezocht naar een doelmatige oplossing. Eerste maatregel is het verontrusten/verjagen, gevolgd door de maatregel het schudden van eieren. De groei van de ganzenpopulatie laat echter zien dat dit niet afdoende is. Om de ganzen verder te bestrijden mogen zij worden geschoten. Dat is niet overal mogelijk, bijvoorbeeld niet in gebieden bij kassen, in de bebouwde kom, nabij wegen, in natuur- en recreatiegebieden en bijvoorbeeld in stadsparken. Vangen en doden van deze ganzen is wel mogelijk. Dit kan in principe alleen in de ruiperiode. Het tijdig verkleinen van de omvang van de populatie voorkomt dat in de toekomst nog grotere aantallen ganzen moeten worden gedood.

De afgelopen jaren is er wetenschappelijk onderzoek gedaan naar allerlei alternatieven. Echter tot op heden is geen afdoende alternatief gevonden om ganzen effectief weg te jagen en weg te houden. Ganzen leren snel en wennen binnen de kortste keren aan de alternatieve verjagingsmethoden. Een ander aspect bij verjagen is dat de dieren niet kunnen rusten als ze constant worden verjaagd.

In het faunabeheerplan van de FBE is een groot aantal maatregelen beschreven. Daarbij is ook gekeken naar maatregelen waarbij geen dieren worden gedood. Juist een combinatie van maatregelen biedt mogelijkheden om de populatie en de schade te verminderen.

8. Worden ook in Natura 2000-gebieden maatregelen genomen tegen ganzen?
Ja, in deze gebieden worden, waar mogelijk, ook maatregelen genomen. De maatregelen mogen geen significante negatieve effecten hebben op de instandhouding van voor die gebieden aangewezen soorten en habitats.

9. Mogen alle ganzen worden gedood?
Wintergasten of trekganzen zijn ganzen die uit Noord-Europa en Siberië naar Nederland komen om te overwinteren. Standganzen verblijven jaarrond in Nederland. Voor de standganzen wordt een aanzienlijke reductie van de populatie nagestreefd. Wintergasten zijn grotendeels beschermd. U kunt op deze website onder “Aanwijzingen en ontheffingen” zien welke regels gelden voor de verschillende ganzensoorten.

10. Ganzen mogen toch niet gedood worden. Waarom dan nu wel?
Volgens de Europese Vogelrichtlijn genieten ganzen overal bescherming, ook buiten natuurgebieden. Dit houdt in dat het verboden is ganzen te vangen of te doden. Deze bepaling komt terug in de Wet natuurbescherming. Ganzen vangen of doden mag alleen als daar een ontheffing voor is verleend door de provincie of als de provincie een opdracht heeft gegeven of als er een provinciale of landelijke vrijstelling geldt.

Een ontheffing, opdracht of vrijstelling mag alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de soort en alleen ter bescherming van:
a) de volksgezondheid en openbare veiligheid
b) de veiligheid van het luchtverkeer
c) de landbouw
d) flora en fauna

11. Waarom staat Zuid-Holland CO2 toe om de ganzenpopulatie te verminderen?
De populatie standganzen is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Betrokken partijen vinden de schade die de ganzen aanrichten niet meer acceptabel. Daarom wordt getracht de populatieomvang terug te brengen. De huidige populatie ganzen is echter met de nu gebruikelijke maatregelen niet (meer) te beheersen.

12. Wie voert het doden van ganzen met CO2 uit?
Dat zal worden overgelaten aan een gespecialiseerd bedrijf dat hiervoor de kennis, kunde en de apparatuur beschikbaar heeft.

13. Hoe gaat dat doden met CO2 precies in zijn werk?
In de ruiperiode kunnen ganzen niet vliegen. De ruiperiode is relatief kort en duurt voor de grauwe gans ongeveer van 20 mei tot 15 juni en voor de brandgans en de Canadese gans ongeveer vanaf 20 juni tot 15 juli. In de ruiperiode kunnen ganzen rustig in een vangkraal worden gedreven. De vangkraal leidt naar een container. Daar mogen niet teveel ganzen tegelijk in om te voorkomen dat de dieren in paniek raken en elkaar vertrappen. Als de container is gevuld, wordt daar CO2 (koolstofdioxide) ingelaten. De ganzen vallen eerst in slaap, verliezen hun bewustzijn en hebben na twee minuten geen hartslag meer. Het doden met CO2 is volgens het Richtsnoer Ganzendoden van de Raad van de Dierenaangelegenheden de minst dieronvriendelijke wijze om ganzen te doden. 

14. Zijn er geen alternatieven voor het doden met CO2?
Het doden van grote groepen in het wild gevangen ganzen met CO2 is een maatregel die veel negatieve associaties oproept. Toch hebben zowel de Universiteit van Wageningen als De Raad voor Dieraangelegenheden aangeven dat dit de minst dieronvriendelijke methode is om grote aantallen ganzen te doden.

15. Is het gebruik van CO2 om ganzen te doden toegestaan?
De Europees Commissie (EC) heeft toestemming gegeven voor het gebruik van CO2. Het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) heeft de nationale toelating geregeld.

16. Met het huidige natuurbeleid heeft het toch geen zin om de ganzen te doden?
Het is niet de bedoeling om alle ganzen in Zuid-Holland te doden. Wel om de populatie beheersbaar te maken en te houden, zodat er in de toekomst minder schade is. Door de inrichting van Zuid-Holland is een combinatie ontstaan van een overvloed aan broedlocaties enerzijds en een overvloed aan voedsel door bijvoorbeeld de grote hoeveelheden hoogwaardig grasland in onze polders anderzijds. Ook als het natuurbeleid wordt aangepast blijft er voldoende broedgelegenheid en ook voldoende voedsel voor de ganzen. Daarom wordt nu ingezet op populatiereductie. Als de populatie op een beheersbaar niveau is gebracht, kan die met beperkte inzet van beheermaatregelen op peil worden gehouden.